gang

Zoek voor termen
Begint met Bevat Exacte termIk doe een gok

Woordenlijsten

Term Definitie
gang

gang(k) 1. smalle straat steeg vaak in verkl. vorm: gangetje gangesje: geg. d. W. (Mdb. en omg.; Vs.; Rtm.; Kod.; Dob.; Wkp.); Z.B.; N.B. (Kam.); T.; Phi.; Sch.-D. (Zn.; Kwv.; Rns.; Ow.); Z.V.W.; L.v.Ax.; Ofl. (Ogp.); verg. Ook straatnamen als: Jodengang Karelsgang Ganzengang te Mdb.; Aant. de gang(k): gang i. e. huis wel Alg. bek.. doch in de oude boeren- en dorpshuizen vond men deze niet wel 'n vôôr'uus en 'n achter'uus zie
'n vôôr'uus;
'n achter'uus.
Nst. verkl. vorm gangetje is gangesje aanget. t.: W. omg. Mdb.; Amd.; Njoos.; Mlk.; Ok.; Dob.; Wkp.); Z.B.; T. (Ovm.); Z.V.W. (Gde.; Hp.); L.v.Ax.
2. vaart snelheid: Alg. (als A.N.); ook vaak i. verkl. vorm: Dà gieng'n gangesje: dat ging er vandoor; overdracht. 't Gae mie Siene 't ouwe gangesje: net als vroeger blijft (m. haar gezondheid bv.) hetzelfde. Aant.: nst. (als A.N.): gae (gao) je gang(k): doe zoals je wil geeft L.v.Ax.: Gao je gangen.
3. het gaan; lett. Alg.; bv.: le eit'n zwaere gang(k): loopt m. zware passen; le is zwaor op de gank: hetz.: L.v.Ax.; L.v.H.; nog vaak m. oude datiefvorm: le is zwaer te gange; moe:ilik te gange: slecht te gange: aldus geg. d. W. (Mdb. en omg.; Vs.; Rtm.; Grij.; Dob.; Ztl.); Z.B.; N.B. (Wsk.; Kam.); Ofl. (Mdh.);... ter gang(k): Z.V.W.; op de gang(k) L.v.Ax.; opter gang(k): N.B. (Col.); Ofl. (Odt.; Ogp.); Z'is slecht op 'euren gang(k): L.v.H.; Z'is wee(r) (wì) op (de) gan(g)k: ze is weer op de been (bv. na e. ziekte); of in 't alg. weer aan 't werk op dreef: W.; Z.B.; Z.V.W.; meest zonder lidwrd.
4. bepaalde afstand die b. e. werkzaamheid wordt afgelegd: b. h. wieden het schoffelen: 'n gank (strook) wieë(n); kappe(n): W. (omg. Mdb.); Z.B. (Wolf.; Ktg.; Kpl.; Ier.); Phi.; Sch.-D. (Kwv.; Rns.; Bh.; Ow.); Z.V.W. (Bks.; Gde.; Bvt.; Rtc.); L.v.Ax.; L.v.H.; G. (Gdr.).
Zie:
jôô .
Bij het jagen: 'n gang(k) af-(of-)jaege(n) -jaogen. m.m. W. (Njoos.; Kod.; Ok.); T. (Ovm.; Scherp.); Sch. (Ng.; Bh.); Z.V.W. (Cz.); 5. b. uitbr.: hoeveelheid die in één gang (keer) wordt gehaald die tegelijk wordt gedragen: 'n gang(k) rnel(l)k waeter: twee emmers vol: m.m. Z.eil.; Z.V.W.; L.v.Ax.; L.v.H.; G.: Kiek dà kind noe toch is zeule mit die gank waeter dà's toch feel te zwaer: Bh.
Zie:
dracht
jok
reize.
6. keer maal: geg. d. Z.B. (Kpl.; Ier.); Phi.; Sch.-D. (Kwv.; Rns.; Bh.; Ow.); Z.V.W. (Bks.; Gde.); Z.V.O. (Pl.); bv. Mêêster Jan zit ielke gank mà te slaen: Bh.


2. gank 1. Ioopplank v. e. schip n. d. kaai: W. (Vre.; Wkp.); Z.B. (Odl.; Bld.; Ier.; Wmd.; Rll.); N.B. (Col.; Kg.); T. (Anl.; Mtd.; Po.); Phi.; Sch.-D. (Dsr.; Srd.; Bh.; Hsd.; Otl.; Ow.; Bns.); Z.V.W. (Bks.; Cz.; Gde.); G. (Gdr.): de gangen: de loopplanken over het het ruim v. e. vissersschuit: Z.B. (Bld.; Odl.; Ier.; Wmd.; Rll.); N.B. (Col.); Sch.-D. (Srd.; Otl.; Bns.); Z.V.W. (Bks.; Cz.); brede loopplank over een bietenhoop: Z.B. (Hkz.; Gs.; Odl.; Bld.; Wmd.; ler.; Rll.); N.B. (Kg.); T. (Mtd.); Sch.-D. (Serk.; Ng.; Srd.; Dsr.; Bh.; Otl.; Nwk.; Ow.; Bns.); G. (Gdr.); ook: de gaender: Otl.
Zie:
peegank;
rechter;
straete.