| Term | Betekenis |
|---|---|
| pluire |
sukkelen, T (Anl: pluiere; Mtd: idem; Svn: idem). Vgl.: plimpe(n); dutsen; krikkemikke(n); katievig; opzet te(n). |
| plundere |
in de uitdr.: de plank(e) plundere(n) de spinne plundere(n): alles opmaken: ZB (Dw/Ovz; Gs; de spinne plundere(n); Ktg; Ovz). Vgl. potversmere(n). |
| pluzig |
onverzorgd, ZB (Dw/Ovz; Kpl). Vgl.: putig; pujig; luzig; fluzig; futig; tiekig; bozzig; schrêêpjes; schieterig (etc.). |
| poenig |
onverzorgd, W (OK: ook een poen van een vent); ZB (Han); SchD (Dsr: onverzorgd en opschepperig; Otl: poonig). Vgl.: putig; pujig; luzig; flu zig; futig; tiekig; bozzig; schrêêpjes; schieterig (etc.). |